Wat is een laagdrempelig steunpunt?
Een laagdrempelig steunpunt is een plek in de wijk waar inwoners zonder verwijzing, zonder diagnose en zonder wachttijd terechtkunnen voor ontmoeting, zelfregie, herstel en ontwikkeling. Het is er voor iedereen, en in het bijzonder voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten.
Een laagdrempelig steunpunt is níet hetzelfde als een inloop. Een inloop is een plek om binnen te lopen, koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Een steunpunt gaat een stap verder: naast ontmoeting is er een gericht aanbod van zelfregie, herstel en ontwikkeling, met een doorlopende lijn waarin iemand kan doorgroeien van bezoeker naar deelnemer of vrijwilliger. (Lees meer over het verschil tussen een inloop en een steunpunt)
Bij een laagdrempelig steunpunt zijn ervaringsdeskundigen de drijvende kracht. Elk steunpunt geeft vorm aan tien landelijk vastgestelde kenmerken, opgesteld door de IZA-werkgroep en uitgewerkt door de Nederlandse Vereniging voor Zelfregie en Herstel. Mensen worden er gezien als mens, niet als cliënt, patiënt of hulpverlener. Er wordt gewerkt vanuit wat bij iemand past, op eigen tempo, zonder vaste stappenplannen.
Het wettelijk kader
Het AZWA, ondertekend in september 2025, bouwt voort op het IZA en het GALA. De ambitie is breed: de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid, zelfredzaamheid en het voorkomen van zwaardere zorg. Laagdrempelige steunpunten zijn daarin een basisfunctionaliteit met structurele financiering: functies die in 2030 voor alle inwoners beschikbaar moeten zijn.
Financiering door het Rijk
De opgave is regionaal: een dekkend netwerk, met in elke gemeente minimaal één steunpunt. In de werkagenda (een aanvulling op het bestaande IZA-regioplan) legt de regio vast welke ambitie zij waar realiseert.
Het Rijk stelt hiervoor middelen ter beschikking, zowel regionaal als lokaal. De landelijke SPUK AZWA bedragen zijn bekend:
| € mln. | 2027 | 2028 | 2029 |
| Lokaal | 231 | 278 | 321 |
| Regionaal | 194 | 235 | 169 |
Verdeelsleutels volgens de systematiek van:
- Gemeenten (lokaal): SPUK/GALA
- Mandaatgemeente (regionaal): SPUK IZA
De middelen lopen van 2027 tot en met 2029 via een ontschotte specifieke uitkering (SPUK), één budget, zonder strakke bestedingsvoorschriften per thema, en worden vanaf 2030 structureel via het gemeentefonds. Sinds 1 juni 2026 is er een handreiking voor laagdrempelige steunpunten EPA die helpt bij de lokale en regionale uitwerking.
Ambitie kiezen: klein, middelgroot of groot
Het AZWA vraagt regio's hun ambitie concreet te maken in kleine, middelgrote en grote steunpunten, passend bij het gebied.
- Een klein steunpunt (vaak satelliet van een groter steunpunt) past bij kleine gemeenten: één of twee dagdelen per week, het bieden van beperkt herstelaanbod op een bestaande locatie, met enkele tientallen bezoekers per jaar.
- Een middelgroot steunpunt past bij gemengde gebieden: een eigen locatie, twee tot drie dagen open, met ruimte voor inloop én trainingen.
- Een groot steunpunt past bij stedelijke gebieden: minimaal vier dagen open, met meerdere ruimtes en een breed aanbod, voor honderden tot meer dan duizend bezoekers per jaar.
De keuze voor een type is ook een strategische afweging: hoeveel impact wil je maken in jouw gemeente, in verhouding tot wat je investeert?
Onze insteek is dat elk steunpunt (afhankelijk van het formaat) bijdraagt aan de beweging van zorg naar gezondheid. Het is een plek vóór de zwaardere zorg: voor preventie, vroegsignalering en het overbruggen van wachttijd, dichtbij en zonder drempel.
Maar twee functies zien we in de praktijk pas echt tot hun recht komen bij middelgrote en grote steunpunten:
- Inbedding in de sociale basis. Actief samenwerken met welzijn, huisartsen, zorgaanbieders en de gemeente, zodat mensen snel bij de juiste plek terechtkomen. Dat vraagt capaciteit en structurele aanwezigheid in netwerken die een klein steunpunt niet heeft. (Sowieso is voldoende capaciteit voor aanwezigheid in netwerken een aandachtspunt, zie ‘Monitor Laagdrempelige Steunpunten’)
- Een doorlopende leerlijn richting participatie en werk. Doorgroeien van deelnemer naar vrijwilliger, en via scholing en ontwikkelplekken richting werk. Dat vraagt een schaal en een aanbod dat bij een of twee dagdelen per week lastig op te bouwen is.
Wat levert een laagdrempelig steunpunt op?
Laagdrempelige steunpunten leveren maatschappelijke waarde op, en die laat zich deels in geld uitdrukken. Lotgenotencontact (de kern van wat in een steunpunt gebeurt) levert volgens SROI-onderzoek van INVOLV gemiddeld €4,50 per geïnvesteerde euro op, geschat over een periode van vijf jaar.
Daarnaast voorkomt een steunpunt vaak zwaardere, duurdere zorg. Een deel van de bezoekers zou zonder zo'n plek in aanmerking komen voor dagbesteding; wie via cursussen en vrijwilligerswerk doorgroeit naar werk, bespaart de gemeente bovendien op uitkeringslasten. En het is een natuurlijke plek voor wachttijdoverbrugging: wie wacht op een GGZ-traject, kan er alvast werken aan stabiliteit en herstel.
Wat dat in de praktijk betekent, laat zich het best in een verhaal vertellen. Het verhaal van Jan.