Laagdrempelige steunpunten: van opgave naar uitvoering

Sociaal Domein

Voor veel gemeenten ligt er een opgave op tafel. Vóór 15 november 2026 moeten de colleges van B&W een werkagenda vaststellen waarin staat hoe de regio toewerkt naar een dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten. Laagdrempelige steunpunten zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aangemerkt als basisfunctionaliteit. De opgave is dus niet vrijblijvend.

Voor wie deze opgave moet invullen, roept dat vragen op. Wat is een laagdrempelig steunpunt precies? Hoe ontwikkel je zo’n steunpunt? Wat is het verschil tussen een inloop en een laagdrempelig steunpunt? Wat kost het? En, wat levert het op?

Zelfregiecentrum_stockbeeld

Wat is een laagdrempelig steunpunt?

Een laagdrempelig steunpunt is een plek in de wijk waar inwoners zonder verwijzing, zonder diagnose en zonder wachttijd terechtkunnen voor ontmoeting, zelfregie, herstel en ontwikkeling. Het is er voor iedereen, en in het bijzonder voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten.

Een laagdrempelig steunpunt is níet hetzelfde als een inloop. Een inloop is een plek om binnen te lopen, koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Een steunpunt gaat een stap verder: naast ontmoeting is er een gericht aanbod van zelfregie, herstel en ontwikkeling, met een doorlopende lijn waarin iemand kan doorgroeien van bezoeker naar deelnemer of vrijwilliger. (Lees meer over het verschil tussen een inloop en een steunpunt)

Bij een laagdrempelig steunpunt zijn ervaringsdeskundigen de drijvende kracht. Elk steunpunt geeft vorm aan tien landelijk vastgestelde kenmerken, opgesteld door de IZA-werkgroep en uitgewerkt door de Nederlandse Vereniging voor Zelfregie en Herstel. Mensen worden er gezien als mens, niet als cliënt, patiënt of hulpverlener. Er wordt gewerkt vanuit wat bij iemand past, op eigen tempo, zonder vaste stappenplannen.

Het wettelijk kader

Het AZWA, ondertekend in september 2025, bouwt voort op het IZA en het GALA. De ambitie is breed: de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid, zelfredzaamheid en het voorkomen van zwaardere zorg. Laagdrempelige steunpunten zijn daarin een basisfunctionaliteit met structurele financiering: functies die in 2030 voor alle inwoners beschikbaar moeten zijn.

Financiering door het Rijk

De opgave is regionaal: een dekkend netwerk, met in elke gemeente minimaal één steunpunt. In de werkagenda (een aanvulling op het bestaande IZA-regioplan) legt de regio vast welke ambitie zij waar realiseert.

Het Rijk stelt hiervoor middelen ter beschikking, zowel regionaal als lokaal. De landelijke SPUK AZWA bedragen zijn bekend:

€ mln. 2027 2028 2029
Lokaal 231 278 321
Regionaal 194 235 169

Verdeelsleutels volgens de systematiek van:

  • ​Gemeenten (lokaal): SPUK/GALA
  • Mandaatgemeente (regionaal): SPUK IZA

De middelen lopen van 2027 tot en met 2029 via een ontschotte specifieke uitkering (SPUK), één budget, zonder strakke bestedingsvoorschriften per thema, en worden vanaf 2030 structureel via het gemeentefonds. Sinds 1 juni 2026 is er een handreiking voor laagdrempelige steunpunten EPA die helpt bij de lokale en regionale uitwerking.

Ambitie kiezen: klein, middelgroot of groot

Het AZWA vraagt regio's hun ambitie concreet te maken in kleine, middelgrote en grote steunpunten, passend bij het gebied.

  • ​Een klein steunpunt (vaak satelliet van een groter steunpunt) past bij kleine gemeenten: één of twee dagdelen per week, het bieden van beperkt herstelaanbod op een bestaande locatie, met enkele tientallen bezoekers per jaar.
  • Een middelgroot steunpunt past bij gemengde gebieden: een eigen locatie, twee tot drie dagen open, met ruimte voor inloop én trainingen.
  • Een groot steunpunt past bij stedelijke gebieden: minimaal vier dagen open, met meerdere ruimtes en een breed aanbod, voor honderden tot meer dan duizend bezoekers per jaar.

De keuze voor een type is ook een strategische afweging: hoeveel impact wil je maken in jouw gemeente, in verhouding tot wat je investeert?

Onze insteek is dat elk steunpunt (afhankelijk van het formaat) bijdraagt aan de beweging van zorg naar gezondheid. Het is een plek vóór de zwaardere zorg: voor preventie, vroegsignalering en het overbruggen van wachttijd, dichtbij en zonder drempel.

Maar twee functies zien we in de praktijk pas echt tot hun recht komen bij middelgrote en grote steunpunten:

  • Inbedding in de sociale basis. Actief samenwerken met welzijn, huisartsen, zorgaanbieders en de gemeente, zodat mensen snel bij de juiste plek terechtkomen. Dat vraagt capaciteit en structurele aanwezigheid in netwerken die een klein steunpunt niet heeft. (Sowieso is voldoende capaciteit voor aanwezigheid in netwerken een aandachtspunt, zie ‘Monitor Laagdrempelige Steunpunten’)
  • Een doorlopende leerlijn richting participatie en werk. Doorgroeien van deelnemer naar vrijwilliger, en via scholing en ontwikkelplekken richting werk. Dat vraagt een schaal en een aanbod dat bij een of twee dagdelen per week lastig op te bouwen is.

Wat levert een laagdrempelig steunpunt op?

Laagdrempelige steunpunten leveren maatschappelijke waarde op, en die laat zich deels in geld uitdrukken. Lotgenotencontact (de kern van wat in een steunpunt gebeurt) levert volgens SROI-onderzoek van INVOLV gemiddeld €4,50 per geïnvesteerde euro op, geschat over een periode van vijf jaar.

Daarnaast voorkomt een steunpunt vaak zwaardere, duurdere zorg. Een deel van de bezoekers zou zonder zo'n plek in aanmerking komen voor dagbesteding; wie via cursussen en vrijwilligerswerk doorgroeit naar werk, bespaart de gemeente bovendien op uitkeringslasten. En het is een natuurlijke plek voor wachttijdoverbrugging: wie wacht op een GGZ-traject, kan er alvast werken aan stabiliteit en herstel.

Wat dat in de praktijk betekent, laat zich het best in een verhaal vertellen. Het verhaal van Jan.

In dit artikel nemen we je mee door het hele proces, van opgave naar uitvoering. We lopen alle vragen langs. Vanuit het officiële kader én vanuit de praktijk.

Hulp nodig?

​Heb je vragen? Wil je zo snel mogelijk aan de slag? Neem gerust contact met ons op.

Het verhaal van Jan

Jan heeft een ernstige psychiatrische aandoening en is hierdoor al vele jaren in contact met hulpverlening. De laatste jaren lijkt er wat meer stabiliteit in zijn leven wat betreft zijn psychiatrische klachten en is de zorg afgebouwd. Jan woont al een hele tijd gewoon in een huis, in een straat in een wijk, maar hij ervaart niet dat hij ‘gewoon meedoet’. Hij is al vele jaren geleden afgekeurd voor werk en naast de enkele uren per week begeleiding heeft hij weinig tot geen betekenisvolle activiteiten en rollen in het leven. Eenzaamheid, stigma (maar ook zelfstigma) in combinatie met gebeurtenissen in het leven zoals het overlijden van zijn huisdier en een verhuizing, maken soms dat zijn psychiatrische klachten weer de boventoon gaan voeren. Na een korte opname of extra medicatie rest hem dan nog steeds de uitdaging om een betekenisvol leven te organiseren.

Van het Participatiepalet maakt Jan vooral gebruik van het netwerk dat geboden wordt binnen het Zelfregiecentrum. Aan de koffietafel zitten altijd mensen om een praatje mee te maken en ook van de gezamenlijke maaltijden maakt Jan graag gebruik. Jan ziet zijn rol binnen het Zelfregiecentrum lange tijd als die van ‘klant’ en dit ligt in de lijn met het zo lange tijd gewend zijn geraakt aan zijn rol van (zorg-)vrager. Complimenten voor wat hij wél kan, en aandacht voor hem als plezierig mens, duwt hij lang als onzin van zich af. Jan is echter ook een hele trouwe bezoeker en via kleine stapjes en jarenlange aanwezigheid lukt het Jan om toch te gaan oefenen met andere rollen, bijvoorbeeld naast koffie drinken ook de koffie zétten en naast meedoen aan activiteiten ook een activiteit organiseren. En om uiteindelijk schoorvoetend een compliment aan te durven nemen.

De hulpverlening wordt door de jaren heen nog verder afgebouwd en Jan én de hulpverlener hebben het vertrouwen in de medewerkers van het Zelfregiecentrum dat er zorgvuldige en korte lijntjes zijn mocht het even wat minder goed gaan met Jan.

  • ​Baten: 2 uur minder Wmo-begeleiding per week à €80,- per uur = €8.320,- per jaar
  • Baten: 1 dagdeel minder dagbesteding à €40,- per dagdeel = €2.080,- per jaar
  • Lasten: Per deelnemer kost het zelfregiecentrum gemiddeld € 1.333,-.

Voor Jan zou dit de gemeente dus € 9.067,- per jaar besparen. En het gaat ook nog eens beter met Jan!

(Persona uit de Leergang Maatschappelijk Ondernemen van MIND en het Oranje Fonds.)

De bouwstenen van een succesvol laagdrempelig steunpunt

Het kader beschrijft wát er moet gebeuren, maar niet hóe je dat doet. Gelukkig komen er steeds meer steunpunten bij, en daarmee groeit ook het zicht op wat er wel en niet werkt.

Co-creatie en gezamenlijk eigenaarschap

Op basis van onze eigen ervaring met het opzetten van verschillende laagdrempelige steunpunten in Noord-Brabant en Limburg weten we: een steunpunt kan pas succesvol worden als het wordt gedragen door de mensen die het gebruiken. Met ervaringswerkers en ervaringsdeskundigen als drijvende kracht. En is er meer nodig dan het steunpunt kan bieden, dan is doorverwijzing naar passende ondersteuning onderdeel van de aanpak

Vrijwilligers en training

Een steunpunt staat of valt met een gemotiveerde groep inwoners en vrijwilligers, die begeleid worden op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Waarbij er oog is voor individuele draagkracht en kwetsbaarheden. Herstelgericht werken vraagt om een passend en flexibel trainingsaanbod, waarin ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid een vanzelfsprekend onderdeel zijn.

Vast aanspreekpunt voor de gemeente

Structurele borging vraagt om iemand die dat overziet. Daarom is een vast aanspreekpunt voor de gemeente onmisbaar. Iemand die meedenkt over hoe het steunpunt organisatorisch én inhoudelijk lokaal te borgen is.

Samen met zusterorganisatie Door & Voor hebben we op deze manier al meerdere laagdrempelige steunpunten ontwikkeld in Noord-Brabant. Markieza als kennispartner met regie op regionale samenwerking, Door & Voor als praktijkgerichte organisatie die samen met inwoners, vrijwilligers en ervaringsdeskundigen werkt aan herstel en zelfregie.

Hoe een laagdrempelig steunpunt ontstaat

Nu je weet wat de belangrijkste bouwstenen zijn, lopen we stap voor stap door de ontwikkeling van een steunpunt heen. Een steunpunt kan op drie manieren ontstaan:

  • ​Als initiatief van een groep inwoners of vrijwilligers.
  • Vanuit een bestaand initiatief dat doorgroeit.
  • Vanuit het eigen initiatief van de gemeente.

Daarom begint een goede aanpak met een lokale inventarisatie: wat is er al, waar liggen de behoeften en wat is er (financieel) mogelijk. Bestaande locaties, zoals een inloop in een wijkcentrum of bibliotheek, kunnen soms al een startpunt zijn om in ieder geval herstelactiviteiten aan te bieden.

Hoe een laagdrempelig steunpunt groeit

Elk steunpunt is anders, maar in de praktijk van Markieza en Door & Voor herkennen we telkens dezelfde vier fasen. Van de eerste verkenning tot een steunpunt dat op eigen kracht verder kan. Hieronder de fasering zoals wij die in Noord-Brabant en Limburg hebben zien werken, met een indicatie van de tijdsinvestering per fase.

Fase 1 - Voorbereiding

De basis leggen: wat is er al, en wat is er nodig?

  • Inventariseren en behoeften peilen, en aansluiten bij bestaande initiatieven.
  • Samenwerkingspartners zoeken en uitleggen wat een zelfregiecentrum is.
  • Een vrijwilligersgroep van zes tot tien mensen vormen, vaak vanuit deelnemers aan het herstelaanbod.
  • Afstemmen met de gemeente, een startlocatie vinden en een begroting opstellen.

Inzet: kwartiermaker, zelfregiecoach en programmamanagement.

Fase 2 - Start

Het steunpunt gaat open.

  • De locatiecoördinator begint en wordt geïntroduceerd in de netwerken.
  • Bekendheid genereren en verbinding leggen met samenwerkingspartners.
  • Starten met de laagdrempelige inloop en de eerste trainingen.
  • Vrijwilligers begeleiden vanuit ervaringsdeskundige waarden, met basistraining, een training rond monitoring en intervisie.

Openstelling: locatie zo'n twee dagen beschikbaar, één dagdeel inloop, één training. Inzet: 20 uur locatiecoördinator, 8 uur zelfregiecoach, 4 uur regionale regie.

Fase 3 - Groei

Het aanbod breidt uit en komt steeds meer van de vrijwilligers zelf.

  • Lokale en regionale bekendheid opbouwen en aanknopen bij netwerken.
  • Scholingsmogelijkheden bieden aan coördinator en vrijwilligers.
  • Ondersteuning bij begroting en verantwoording.
  • Samen met de gemeente kiezen welke functies het steunpunt vervult.
  • Op aanvraag aanbod organiseren op andere locaties (satellieten).

Openstelling groeit naar twee dagdelen inloop en wekelijkse trainingen het hele jaar door, aangevuld met creatieve en sportieve activiteiten.

Fase 4 - Borging

Zorgen dat het blijft.

  • Randvoorwaarden voor continuïteit in kaart brengen.
  • Effect zichtbaar maken via monitoring.
  • Het herstelgerichte trainingsaanbod doorontwikkelen.
  • Vrijwilligers begeleiden via meester-gezel-coaching.
  • Samenwerken met en leren van andere herstelinitiatieven.

Zo ontstaat stap voor stap een duurzaam en gedragen laagdrempelig steunpunt.

Meedenken over jouw gemeente of regio?

De deadline van 15 november 2026 komt dichterbij, maar je hoeft het niet alleen uit te zoeken. Wil je weten wat een laagdrempelig steunpunt voor jouw gemeente of regio betekent, en hoe je dit vertaalt naar de werkagenda? Wil je zo snel mogelijk van start met een laagdrempelig steunpunt? Neem contact met ons op met we denken graag met je mee.

Portretten Markieza_Noëlle Tauran

Hulp nodig bij de ontwikkeling van een laagdrempelig steunpunt in jouw regio?

Onze opdrachten

Onze samenwerkingspartners